naar engelse pagina
terug naar de kindergeneesunde
KINDERGENEESKUNDE
terug naar de homepage van drwillem
Bij de kinderarts.

De kinderen in de westerse wereld hebben de beschikking over een uitgebreid systeem van gezondheidszorg. Goede voeding, hygiene, vaccinaties, huisvesting, het zijn allemaal factoren die bijdragen aan een goede gezondheid. Toch gaan diezelfde kinderen vaker naar de dokter. De meeste kinderen echter komen daar niet of zelden.

Natuurlijk is er bij ziekte een reden, maar ook zonder ziek te zijn is een bezoek aan de dokter op z'n plaats als er een vraag over iets is wat met de gezondheid te maken heeft.

De eerste persoon om naar toe te gaan is de huisarts. In een aantal gevallen zal deze doorverwijzen. Hier zal besproken worden wat men kan verwachten als er een verwijzing naar de kinderarts is. Voor het gemak is ervan uitgegaan dat het gaat om een kind dat nog niet eerder bij een kinderarts is geweest.

ga naar de onderwerpen.


De verschillende aspecten van het consult worden apart besproken.

Kies een onderwerp:

Verwijzing Van huisarts naar specialist.
Kennismaking Het eerste bezoek.
Reden verwijzing Waar het om gaat.
Geschiedenis Wat er allemaal aan vooraf ging.
Lichamelijk onderzoek Kijken, luisteren en tasten.
Bespreking De voorlopige conclusie.
Aanvullend onderzoek Foto's, bloed en andere testen.
Behandeling Advies, medicijnen, dieet, en nog meer.
Nacontrole Hoe zal het verder gaan.
Verder verwijzen Deelspecialist.
Onder controle blijven Hoe lang gaat dat duren.

terug naar de lijst met onderwerpenVERWIJZING
De kinderarts is een medicus gespecialiseerd in de gezondheidszorg voor personen vanaf de geboorte to 16-18 jaar. Specialisatie beteknt dat iemand zich toelegt op een de diagnose en behandeling van een ziektebeeld, waarvoor meer ervaring nodig is. Het gaat vaak ook om meer tijd die nodig is voor een behandeling. De kinderarts is gespecialiseerd in een bepaalde leeftijdsgroep. De specialisatie heeft niet alleen te maken met het speciale karakter van gezondheidsproblemen bij kinderen, maar ook met het zeldzamer voorkomen van bepaalde aandoeningen. De huisarts (de belangrijkste arts voor een persoon) heeft vaak niet de kans voldoende ervaring op te doen.
Er zijn ook kinderartsen die zich verder gespecialiseerd hebben. Hier wordt de algemene kinderarts besporken.

De huisarts heeft verwezen om een van de volgende redenen:
* De diagnose is gesteld, verdere behandeling is wenselijk door de kinderarts.
* Er is geen diagnose, de verwijzing is voor verder onderzoek door de kinderarts.
* Speciaal verzoek van de ouders.

De afspraak zal veelal georganiseerd worden door de assistent van de huisarts, maar het kan ook zijn dat ouders zelf de afspraak maken. In principe komt het kind dan op de wachtlijst. Als er reden is voor een snelle (of spoed) verwijzing, zal de huisarts dit zelf regelen met de kinderarts.

terug naar de lijst met onderwerpen

terug naar de lijst met onderwerpenKENNISMAKING
Naar de dokter gaan is voor veel mensen een aangrijpende gebeurtenis vol onzekerheden. Met elkaar kennismaken is nodig (en beleefd) omdat het hier gaat om een kontakt tussen mensen waarvan de een een vraag heeft en de ander aanbiedt te helpen bij het vinden van een oplossing. Dat gaat beter als er een goede relatie is tussen beide partijen. Door een goede kennismaking kan er een persoonlijke relatie ontstaan binnen een beroepsmatig kontakt.

Kennis maken doet ieder op een eigen manier. Namen noemen, handen geven, iets aardigs zeggen over iets van het kind (dat is een onuitputtelijke bron), uitnodigen binnen te komen en te gaan zitten, het hoort allemaal bij het leggen van een kontakt met als doel te komen tot een goede relatie die nodig is om een hulpvraag te beantwoorden.

terug naar de lijst met onderwerpen

terug naar de lijst met onderwerpenREDEN VERWIJZING
De volgende stap is te komen tot een wederzijdse overeenstemming over wat de reden van de komst is. Vaak heeft de huisarts een brief meegegeven en het is goed die samen nog eens door te nemen. Het klachtenpatroon kan zich ondertussen gewijzigd hebben. Het is goed van elkaar te weten wat nu precies de vraag is.
De kinderarts zal wat verder ingaan op de klacht om een beter beeld te krijgen. Het zijn vaak vragen over wanneer het begon, hoe intens het is en hoe het verloop is. Vaak ook gaan een aantal vragen over bijkomende symptomen.

terug naar de lijst met onderwerpen

terug naar de lijst met onderwerpenGESCHIEDENIS
Vervolgens zal de kinderarts informeren naar de algemene gezonheid van het kind. Het zijn meestal vragen die gaan over de bloesomloop, de luchtwegen en het maagdarmstelsel. Ook zijn er vaak wat vragen over de geschiedenis van de familie, met name of daar bepaalde ziekten voorkomen.

In het bijzonder zal de kinderarts ook vragen naar die zaken die juist voor kinderen zo belangrijk zijn. Om te beginnen is er een vraag over de zwangerschapsduur en het geboortegewicht. Daarnaast is er belangstelling voor de ontwikkeling (omrollen, zitten, staan en lopen; spraak- en sociale ontwikkeling, etc). Vaccinaties, gezinssamenstelling, school, vrije tijd, het zijn allemaal zaken die een rol spelen in de gezondheidsgeschiedenis van een kind.

terug naar de lijst met onderwerpen

terug naar de lijst met onderwerpenLICHAMELIJK ONDERZOEK
Het lichamelijk onderzoek begint veelal met het opnemen van het gewicht, de lengte en soms ook de bloeddruk. Babies worden in hun blootje gewogen, de andere kinderen vaak alleen zonder jas en schoenen. Sommige kinderen ervaren het onderzoek als iets beangstigends. Gelukkig lukt het bij de overgrote meerderheid van de kinderen het onderzoek tot iets leuks te maken waar ze graag aan mee doen.

In het lichamelijk onderzoek gaat het om drie zaken: KIJKEN (inspectie), LUISTEREN (auscultatie) en TASTEN (palpatie).
Inspectie is kijken hoe iemand er uit ziet, de kleur van de huid (wit, rood, blauw, geel), de algemene houding en beweging van de gewrichten.
Auscultatie wordt gedaan met de stethoscoop. Het gaat om het geluid van het hart. Daarbij wordt er gelet op het geluid dat het hart maakt bij het pompen. Hierbij worden de hartkleppen geopend en gesloten, tussen door dient er geen geluid te zijn. Er wordt ook naar het ritme geluisterd. Een gaatje in het hart (tussen linker en rechterkant) of een lekkende klep geen een kenmerkend geluid. Vervolgens worden de longen beluisterd. Het gaat daarbij om het in- en uitstromen van de lucht. Speciaal wordt er gelet op de spreiding van de lucht over alle longvelden. De stethoscoop laat ook horen of er weerstanden, vernauwingen of afsluitingen zijn in de luchtwegen. De aanwezigheid van vocht en slijm geeft een kenmerkend geluid. In de buik wordt er geluisterd naar het geluid dat de darmen maken. In de buik wordt er ook geluisterd naar het geluid van de bloedstroom door de aorta, de grote lichaamsslagader die midden door de buik loopt. Soms kan er ook geluisterd worden naar de bloedvaten op verschillende plaatsen en ook wordt wel eens de keel beluisterd.
Palpatie is het bevoelen van het lichaam. In de eerste plaats is dat te doen om te weten of organen en structuren zijn zoals die moeten zijn en daarna ook om te weten te komen of er nieuwe dingen te palperen zijn. Zo zal de nek betast worden om de aanwezigheid en grootte van de schildklier vast te stelen. In de nek kunnen ook lymfeklieren aanwezig zijn die opgemerkt worden met de palpatie. De buik wordt betast om te voelen wat de spanning is van de buikwand en om een idee te krijgen over de grootte van de organen (lever, milt en nieren).
Er zijn nog tal van andere dingen die betast kunen worden. Zo kan de pols gevoeld worden voor ritme, snelheid en vulling. Het betasten van de huid geeft informatie over de mate van zacht- of ruwheid. Een bijzondere vorn van betasten is de PERCUSSIE, met de vingers trommelen. Dat wordt gedaan om een indruk te krijgen van het geluid door dit trommelen. Het karakter van het geluid (helder, dof, lage toon, hoge toon) laat zien hoe de lucht onder de trommelende hand aanwezig is en afwezig. Het wordt gebruikt om een indrukl te krijgen van de grootte van het hart, de luchtverdeling in de longen en ook zo in de darmen.
Vaak zal als laatste het zenuwstelsel worden onderzocht. Allereerst zijn er de twaalf hersenzenuwen die onderzocht kunnen worden op hun functie. Dit zijn de reuk, oogbewegingen, gehoor, zicht, tongbewegin, etc, om er een paar te noemen. Ook kunnen de reflexen getest worden (knie, elleboog, voetzool zijn de drie bekendsrte, maar er zijn er meer) met het bekende hamertje. Het zenuwstelsel kan ook getest worden op het gevoel van de huid voor tast, warmte of kou. Meestal gaat het dan om een meer uitgebreid onderzoek.
Vaak tot slot wordt er gekeken in de oren, de keel en de ogen.

Dat was in grote lijnen het lichamelijk onderzoek.

terug naar de lijst met onderwerpen

terug naar de lijst met onderwerpenBESPREKING
Als het verhaal verteld is en de stethoscoop weer opgeborgen, dan is het tijd voor een voorlopige conclusie

De kinderarts zal samen met de ouder(s) en het kind doornemen wat er gevonden is bij het lichamelijk onderzoek en dan wel in het bijzonder in relatie tot de oorspronkelijke klacht. Dat bespreken is niet omdat de kinderarts het niet goed zou weten, maar omdat het nu eenmaal zo is dat de ouders het kind beter kennen en daarmee informatie verschaffen die van belang is tot het krijgen van een goed oordeel.

Soms komen er bij het lichamelijk onderzoek dingen naar voren die helemaal niets met de klacht te maken hebben. Dat wordt dan natuurlijk ook besproken.

De bespreking eindigt met een voorlopige conclusie. Het is gebruikelijk behalve de voorlopige diagnose ook een aantal andere mogelijke verklaringen te bespreken en uit te legen waarom dat waarschijnlijk niet de verklaring is.

terug naar de lijst met onderwerpen

terug naar de lijst met onderwerpenAANVULLEND ONDERZOEK
De diagnose vloeit voort uit de bespreking van het verhaal en het lichamelijk onderzoek. Het is echter een voorlopige diagnose. Meestal is het voldoende om op die manier een betrouwbare diagnose te stellen. Soms echter is het van belang verder onderzoek te doen. Dat belang kan gelegen liggen in de ernst van de klachten, het meer zeker willen weten en als controle op het eigen denken. In een aantal gevallen is het helemaal niet zo zeker wat de diagnose is. Verder naar het verhaal luisteren of nog eens het lichamelijk onderzoek uitvoeren zal niets nieuws opleveren. Aanvullend onderzoek is dan een methode om meer te weten te komen, meer te weten om een betrouwbaarder diagnose te stellen. Aanvullend onderzoek kan van alles en nog wat zijn. Een röntgenfoto, een bloedonderzoek een longfunctietest, een gehoortest en al die andere onderzoeken geven aanvullende informatie. Al die informatie helpt om een zo betrouwbaar mogelijke diagnose te krijgen, wat weer van belang is voor de best mogelijke behandeling.

Onderzoek hoeft nu ook weer niet altijd uitgevoerd te worden. Er is geen bloedonderzoek, röntgenfoto of longfunctietest nodig om vast te stellen dat iemand een verkoudheid heeft. Misschien hoef je daar zelfs niet mee naar de dokter.

terug naar de lijst met onderwerpen

terug naar de lijst met onderwerpenBEHANDELING
Er zijn vele manieren om iemand te behandelen. Een behandeling voorgeschreven (geadviseerd) door de kinderarts kan zo eenvoudig zijn als alleen maar een advies voor leefwijze. Dat kan het geval zijn voor iemand die moeilijk naar de wc gaat. Een andere behandeling is het geven van een voedingsadvies (ook wel kortweg dieet genoemd. Het meest bekend is natuurlijk het voorschrijven van medicijnen. De kinderarts zal uitleggen wat en waarvoor er een recept wordt gegeven. Dat is een zeer belangrijk moment van communicatie. Het kan voorkomen dat iemand niet de medicijnen inneemt zoals geadviseerd wordt. Daar kunnen goede redenen voor zijn. Van elkaar te weten wat wel en niet ingenomen kan worden, helpt bij het krijgen van het beste resultaat.
Het kan ook gewenst zijn een behandeling door een ander te laten uitvoeren. Een fysiotherapeut is zo iemand die op verzoek van een ander een behandeling instelt.

Kinderartsen opereren niet, (kinder)chirurgen doen dat wel. Als een operatie nodig is zal het kind worden doorverwezen.

terug naar de lijst met onderwerpen

terug naar de lijst met onderwerpenNACONTROLE
Als de diagnose bekend is, de behandeling geadviseerd, dan is het alleen nog nodig te zien of het allemaal wel klopt. Is er een verkeerde diagnose, dan zal ook de behandeling niet goed zijn en zullen de klachten niet verminderen. Het is daarom handig nog eens met elkaar (kind, ouder, kinderarts) door te nemen hoe het gaat. Dat wordt ook wel de nacontrole genoemd. Het is ook een controle voor de kinderarts om te zien of die zijn werk goed doet. Het is een mooie gelegenheid nieuwe ontwikkelingen of dingen waarvan tot dantoe werd aangenomen dat die er niet toe deden, naar voren te brengen.

De nacontrole is minstens zo belangrijk als het eerste bezoek.

terug naar de lijst met onderwerpen

terug naar de lijst met onderwerpenVERDER VERWIJZEN
Geen enkele dokter is alwetend of alkunnend. Voor sommige aandoeningen kan verdere verwijzing aangewezen zijn. Dat kan dan zijn naar een andere kinderarts of naar een andere specialist.
De behandeling door een andere kinderarts kan nodig zijn vanwege het speciale karakter van de ziekte. Zo zijn er, om een paar te noemen, speciale kinderartsen voor maag-darmstoornissen, bloedziekten, hartziekten, hormonen. In veel gevallen zal de kinderarts ook al deze ziekten kunnen behandelen of doet dat samen met de meer gespecialiseerde collega.
Verwijzing kan ook gaan naar een andere arts. Meestal zal dat een chirurg zijn, maar ook een oogarts, KNO-arts, orthopaed behandelt kinderen. Soms werken die zelfs speciaal voor kinderen. Meestal neemt die andere specialist de behandeling over van de kinderarts.

terug naar de lijst met onderwerpen

terug naar de lijst met onderwerpenONDER CONTROLE BLIJVEN
Sommige aandoeningen laten zich niet zo makkelijk oplossen. Helaas zijn er nog vele aandoeningen die niet echt te genezen zijn,, maar waarbij de behandeling vooral gericht is op een zo goed mogelijke conditie te krijgen. Voorbeelden zijn suikerziekte, astma, reuma, darmontsteking en nog een paar van die wat we noemen chronische aandoeningen. Veelal zie je dan de kinderarts geregeld terug om te bespreken hoe het gaat en om te horen of er nog nieuws is (nieuwe behandeling, nieuwe symptomen). Je blijft dan onder controle. Dat duurt dan zolang het nodig is , maar niet langer dan tot je 16e jaar. Na die tijd ben je niet echt een kind meer en is de kinderarts niet de deskundige voor gezondheid en ziekte. Dat hoeft echter niet precies op je 16e te zijn, het kan ook eerder of wat later.

terug naar de lijst met onderwerpen



Deze pagina is onderdeel van de de site van Willem J. van IJperen, kinderarts in Schotland.
De site is begonnen als www.drwillem.nl op 2 januari 1998 en is voortgezet als www.drwillem.com in mei 2004. Deze pagina is op het net gezet op 26 juli 2004